Blommeart en de Ossaert - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

Visser Blommaert en de Ossaert.

Er was meer water dan land op de kouter en niemand dacht eraan om het weinige land te bebouwen, zolang er in de kreken en wellen vis zat en er geld verdiend werd met smokkelen; het was niet moeilijk om in de vissersboten zo plat als schollen ongezien over het donkere water balen zout naar Holland te brengen.  

Blommaert verdiende er menige gulden mee, maar bij tijd en wijle, als het toezicht verscherpt werd, liet hij het sluiken varen en zetten zijn netten in de kreken. Dat had hij ook deze dag gedaan. Laat in de middag roeide hij terug, meerde zijn boot af, ging zijn hut binnen en legde vuur aan in de haard. Terwijl het hout knetterde en knapte en een windvlaag zo nu en dan de prikkelende rook door het rookgat naar binnen joeg, bruinden de vissen, die Blommaert de vorige dag gevangen had, in de pan.

Toen hij genoeg gegeten had, liet hij het vuur uitgaan en sliep in. Het was nog schemerdonker toen hij wakker schrok. Waarvan? Hij zou het niet kunnen zeggen. Een windvlaag die scherp door het hoge riet voer? Stemmen van vissers verderop langs de dijk? Watervogels die geschrokken van een otter opvlogen uit de biezen? Maar wat zag hij? De helft van de vissen was verdwenen uit de kuip, de houtskool was verstoven in de haard en het spoor van een grote, natte grijpklauw stond afgedrukt in de grauwe as. Blommaert moest opeens denken aan het versje dat zijn moeder altijd opzei als zij hem vertelde over de gevreesde Ossaert: ‘Griepke, griepke, grauw, zonder tand en met een mouw.’

Maar Blommaert had in zijn leven al te veel te doen gehad met jachtopzieners, veldwachters en commiezen om voor de Ossaert bang te zijn, en zoals hij ze allemaal te slim af was geweest, zo wilde hij ook de Ossaert verschalken.

De volgende avond, nadat Blommaert teruggekeerd was van de visvangst, kronkelde de rook van zijn vuur weer boven de peppels uit of viel bij elke windstoot in lange zwalpen tussen het riet. Daarna werd de rook dunner en ijler; het vuur doofde; Blommaert sliep.

De klokkentoren van de Klinge sloeg elf keer. De slagen zweefden over het water en vervloeiden  in steeds wijder rimpelingen, geluid ijzelde in de biezen. De bladeren van de peppels ruisten in de wind.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu