De jaloerse vrouw - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

De jaloerse vrouw.

 

Er was eens een man die twee vrouwen had. Daaruit kun je al opmaken dat dit een verhaal uit de oude tijd is, want nu mag dat niet meer. De eerste vrouw had geen kinderen; de andere had een zoontje. De vader hield ontzettend veel van de jongen en je kan wel begrijpen dat hij daarom ook veel van de moeder van de jongen hield. Dat zinde de vrouw zonder kinderen helemaal niet, en af en toe zat ze na te denken hoe ze de moeder van het kind van de wereld kon helpen. De man had dat absoluut niet in de gaten; de vrouw deed zich zo aardig voor dat hij niet anders dacht dan dat het allemaal goed ging. En de kleine jongen – hij groeide als kool – was al tien jaar en de vrouw had hem nog nooit wat aangedaan.

Op een dag moest de vader op reis. Hij zag er wel tegenop, maar het moest, daar viel niets aan te doen. Voor hij vertrok riep hij zijn eerste vrouw, die dus geen kinderen had, bij zich en liet haar beloven dat ze goed voor de vrouw met het kind zou zorgen. Nou, dat wilde ze best beloven, dat kun je begrijpen, maar ondertussen vlaste ze op de dag dat de man zou vertrekken en zij haar handen vrij zou hebben.

De man was nog niet weg of de vrouw sloeg een dik boek open – een boek met toverkunsten . Na een paar dagen wist ze genoeg. Met mooie praatjes lokte ze de jongen naar een afgelegen plek in een groot bos en daar toverde ze hem om in een kalf. Dat bracht ze naar de slachter die ze vroeg of hij voor haar het kalf wilde vetmesten. ‘Natuurlijk,’ zei de slachter, en hij bracht het beest direct naar de stal.

Maar de vrouw was nog niet tevreden; de nam ook de moeder mee naar de plek in het bos en veranderde haar in een koe die ze ook naar de slachter bracht. Zo kwamen moeder en zoon bij elkaar in de stal te staan

Toen de man weeromkwam, ging de vrouw meteen naar hem toe, ze zoende hem dat het klapte en deed alsof er niks gebeurd was. Het eerste waar de man naar vroeg, was de andere vrouw en de zoon. ‘Die is dood,’ zei het gemene wijf, ‘en je zoon is veertien dagen geleden weggegaan zonder te zeggen waarheen.’ Wat was de man bedroefd! Van verbouwereerdheid wist hij niet wat te doen, maar zijn vrouw zei: ‘Kom, vent, schei nou toch eens uit met huilen. Binnenkort ben je jarig en dan zal je jongen wel thuiskomen. Je bent altijd zo royaal als je jarig bent dat hij die dag niet makkelijk vergeten zal.’ De man liet zich met dat sprankje hoop paaien en kwam langzaamaan weer in zijn gewone doen.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu