De meester - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Wereldreligies > Boeddishme

De Meester.

 

Om een ‘heilig persoon’ te worden inde boeddhistische traditie moet men bovenal de Boeddha navolgen. De meest elementaire manier om dit te doe is door, net als de Boeddha, een monastiek bestaan te leiden op zoek naar het nirvana. De grootste voorbeelden van het monastieke ideaal waren de eerste volgelingen van Boeddha, zoals zijn belangrijkste leerling Shariputra, die in een Indiase brahmaanse familie in Nalanda werd geboren. Kort na zijn bekering door de Boeddha werd hij een arhant of ‘waardige’ – iemand die, net als zijn leermeester, het nirvana had bereikt. Shariputra had een reputatie van grote wijsheid en wordt in de Mahayana-sutra’s vaak voorgesteld als een van degene die de Boeddha als eerst een vraag stelde. Ook Maudgalyayana, een vriend van Shariputra die zich tegelijkertijd bekeerde, was uit een brahmaanse familie afkomstig. Hij zou het magische vermogen hebben bezeten om vijandige krachten van de natuur te onderdrukken en naar verkiezing naar de hoogste regionen van de kosmos te reizen. In Chinese boeddhistische legenden werd hij alom geliefd als Mulian, die naar de hel reisde om zijn moeder te helpen

Een van de meest opmerkelijke leerlingen van de Boeddha van Angulimala (‘Slinger van Vingers’), die vereerd wordt als het toonbeeld van hoe men door het aannemen van een monastieke levenswijze een radicale breuk met het verleden  kan bewerkstelligen. Voor hij de Boeddha ontmoette, zo gaat het verhaal, was Angulimala een massamoordenaar die de vingers van zijn slachtoffers aan een ketting om zijn hals droeg. Toch werd hij monnik en bereikte hij het nirvana.

Ook de Indiase kloosters uit latere eeuwen brachten personen voort die beroemd waren om hun moed, geleerdheid of meditatieve  vermogens, Zo stamden onder meer de Mahayana-filosogen Shantarakshita, die toezag op de stichting van het eerste Tibetaanse klooster, en Athisha, die hielp om het boeddhisme tijdens de ‘Tweede Verspreiding’ in Tibet te herintroduceren, uit de erudiete monastieke cultuur van Bihar en Bengalen.

De ontwikkeling van het boeddhisme in Oost- en Zuidoost-Azië  en Tibet is onlosmakelijk verbonden met de activiteiten van boeddhistische monniken. Buddhaghosa, een Indiase monnik, vormde het Theravada-boeddhisme in Sri Lanka; de monniken Shenxiu en Huineng stichtten respectievelijk de Noordelijke en Zuidelijke scholen van de Chan-traditie in China; de Japanse monnik Dogen gaf Zen zijn klassieke vorm; en de Tibetaanse monnik Tsongkhapa formuleerde de Gelugpa-traditie die de Dalai Lama’s voortbracht.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu