Hoe Leiden naam kreeg - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

Hoe Leiden zijn naam kreeg.

 

In ons land hebben misschien wel de vreselijkste reuzen van de wereld gewoond. Het waren onstuimige lieden die het de reizigers zeer moeilijk maakten, hun de leden rekten of zware belasting lieten betalen. Niemand kon aan hen ontkomen, omdat zij lang alle grote wegen loerden. Ze traden de marskramers dreigen tegemoet en beroofden hen van hun kostbare schatten. Het was zeer onveilig om hier handel te drijven en daarom zocht men naar middelen om met de reuzen tot een vergelijk te komen. Maar dat was niet eenvoudig. Immers, was je in deze plaats onder bepaalde voorwaarde veilig voor een reus, dan kon je in gene plaats door een andere reus worden bedreigd. Zo kon de reus van Antwerpen iemand doorlaten die vervolgens door de reus van Nijmegen met vouw en vuist bewerkt werd.

In een stad aan de Rijn woonde een zeer wrede gigant, met een hoofd als een eikenboom, een lijf als een hoge heuvel en benen als twee stevige sparren. Als hij ademde, leek het wel of de stormwind loeide en als hij zijn armen uitstrekte, was het of er zware takken knapten in een joelende herfstbui. Hij had een stem waarbij het grommen van de donder in het niet viel, en het glanzen van zijn ogen was feller dan de felste bliksemschichten. Niemand, ook al zat hij trots te paard, kon aan hem ontkomen, want de reus rende met enkele stappen mijlenver. Zijn ogen waren scherp als die van een torenvlak die een plaats voor zijn nest zoekt. Er was geen koopman die deze lage landen had bezocht die niet over de grimmige reus sprak zoals men over de Dood spreekt: met griezeling en ontzag.

Als ik toch eens langs hem kon komen, dacht menigeen. De streek is rijk en de vrouwen houden er veel van snuisterijen, glinsterende kralen, amuletten, kettingen, lintjes, doekjes en borduursels;  graag vleien ze een ring aan de vinger, vooral wanneer deze schitterende stenen draag. Maar o, die reus.

Toen gebeurde er op een dag iets waar alle mensen op hadden gehoopt. De reuzen waren jaloers op elkaar. En waar nijd is, komt ruzie. Ze daagden elkaar uit en… de oorlog begon. Ze sloegen elkaar met hun sterke vuisten pal in het gezicht, harde kop ramde tegen harde kop, en ze trapten en worstelden zonder mededogen van de vroege ochtend tot de late avond. Uit hun wonden spoot bloed, niet met een zwakke straal als bij een mensenlijf, maar wilde als een waterval. Ja, een rivier van bloed stuwde in een droge bedding en zocht zijn weg naar zee.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu