Inleiding - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Wereldreligies > Japanse traditie

Inleiding.

 

De Japanners praktiseren twee belangrijke religies tegelijkertijd – het shintoïsme en het boeddhisme – die de afgelopen vijftienhonderd jaar naast elkaar hebben bestaan en elkaar wederzijds beïnvloed hebben. Het shintoïsme is een inheemse Japanse religie, terwijl het Japanse boeddhisme een tak is van een wereldreligie die wordt aangehangen door honderden miljoenen mensen in Oost- en Zuidoost-Azië en het Westen.

De inheemse religie van Japan wordt de ‘Weg van de Goden (of Geesten)’ genoemd, wat zowel naar voren komt in de uitdrukking Kami no Michi als in de synonieme term ‘shinto’, de Japanse uitspraak van het Chinese shen (‘geest’) en dao (‘weg’). De beide uitdrukkingen worden geschreven met de Chinese karakters voor shen en dao. Sinds de herleving van de religie in de achttiende en negentiende eeuw is ‘shinto’ de meer gebruikelijke uitdrukking – ironisch genoeg, want de voorstanders van de herleving van het shintoïsme waren over het algemeen anti-Chinees.

De wortels van het shintoïsme liggen in de prehistorie. Het oudste en meest fundamentele concept ervan, het begrip kami (‘geest’, ‘goddelijk wezen’ of ‘god/godin’), neemt nog steeds een centrale plaats in het Japanse religieuze bewustzijn. De bron van het boeddhisme lag ver van Japan, in India. Net als de meeste onderdelen van de Japanse beschaving bereikte de nieuwe religie Japan echter via China, de grote moeder-beschaving van Oost-Azië, en via Korea, vanwaar het Japan halverwege de zesde eeuw binnenkwam. Rond deze tijd kende Japan het schrift nog niet, maar dit volgde in het spoor van het boeddhisme. De boeddhistische geschriften waren alleen voorhanden in Chinese vertalingen en de bekeerde Japanse aristocraten – het zou nog enkele eeuwen duren voordat het boeddhisme zich over de hele bevolking verspreid had – waren dus verplicht om de Chinese karakters te leren lezen.

Ook het confucianisme en taoïsme maakten in die tijd hun opwachting in Japan en beide hadden een diepgaande invloed op het shintoïsme en de ontwikkeling van het Japanse boeddhisme. Maar het was zelden dat zij de status bereikten van echte religieuze bewegingen (zoals aan het Tokugawahof rond 1700 n.Chr.).

Ondanks de enorme invloed van de Chinese religieuze voorstellingen, filosofie en kunsten, bleef Japan zich altijd van het grote overzeese buurland onderscheiden. De diep gewortelde tendens om alles wat het land ontleende aan andere culturen aan te passen en te transformeren, manifesteerde zich als spoedig.

... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu