Jan de tovenaar - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

Jan de tovenaar.

 

Er was eens een vader en die een sukkelaar van een zoon had en omdat het slechte jaren waren, kon hij hem de kost niet meer geven. ‘Jan, jongen,’ zei de vader, ‘ga de wereld in en zoek je eigen brood, ik kan het niet meer verdienen.’ Dus Jan pakt zijn boeltje en trok de wereld in.

Toen hij twee dagen gelopen had, kwam hij een rijke heer tegen die hem voeg: ‘Waarom ziet ge er zo mistroostig uit, mijn jongen?’  ‘Wel, mijnheer,’ zei Jan, ‘vader heeft mij de wereld in gezonden  om mijn brood te zoeken. Ik zoek nu al twee dagen en ik heb nog geen droge korst gevonden.’

Dat beviel de rijke heer. ‘Kom maar mee,’ zei hij, ‘op mijn kasteel hoeft ge de hand maar uit te steken om te kunnen eten wat ge maar lust.’ Zo werd Jan kamerknecht op het kasteel en hij had een leven gelijk een prins.
Op een dag moest mijnheer een verre reis maken. ‘Jan,’ zei hij, ‘pas goed op terwijl ik weg ben. Alle dagen moet ge van kelder tot zolder ene ronde doen om te zien of er niets hapert. Alleen in deze kamer moogt ge geen voet zetten. Doet ge dat toch, dan zijt ge een vogel voor de kat.’

Toen mijnheer weg was, ging Jan alle dagen rond, heel het kasteel door, van de kelder tot de zolder, en iedereen dat hij voor de deur van de verboden kamer kwam, was hij gelijk betoverd om daar binnen te gaan. Op den langen duur kon hij de bekoring niet meer weerstaan en hij deed de deur open. Wat vond hij daar? Boeken, niets dan boeken! Zijn ogen vielen meteen op een groot boek dat helemaal van leer was in plaats van papier. Perkament noemen ze dat. Het was niet gedrukt maar geschreven, ja, helemaal geschreven met grote letters. Het was een echt toverboek; een uit de tijd dat de wilde jacht net begonnen was. Jan sloeg meteen aan het lezen en hij vond algauw een toverspreuk naar zijn hand.

‘Hier hebben we wat we hebben moeten,’ zei Jan en hij leerde snel het toverwoord van buiten. Hij liet het kasteel voor wat het was en slibberde er vandoor, gelijk een dief op zijn tandvlees. ‘Vader,’ zei Jan toen hij thuiskwam, ‘nu heb ik een broodwinning gevonden! Ik kan mij veranderen in alle beesten die ge denken of peinzen kunt.’ ‘Zo, dat is uw broodwinning, jongen? Dan zijt ge gesteld… gelijk een reiger op het ijs.’ ‘Lach niet, vader, laat me eerst een uitspreken! Ik verander mij bijvoorbeeld in een os, en gij, ge doet me naar de stad en verkoopt me daar. Is dat geen broodwinning?’

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu