Kaboutermannekens uit Kempen - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

Hoe de kaboutermannekens uit de Kempen verdwenen zijn.

 

Allang zijn de kaboutermannekens tot ieders vreugd uit de Kempen verdwenen. Maar in vroeg tijden woonden zij met duizenden en duizenden in een berg die zij helemaal uitgegraven hadden en waaruit zij vos en konijn hadden verjaagd. Ik zeg met duizenden. Dat was inderdaad heel goed mogelijk, want zij waren maar twee duimen hoog, en de grootste, hun koning, mat nauwelijks drieënhalve duim.

Aan de ene kant van de berg was een grote poort die van binnen gesloten kon worden, en waardoor ze alles naar binnen brachten was ze ’s nachts gestolen hadden. Zij roofden alles: kalkoenen, eenden, konijnen, zelfs kalveren, koeien en ossen. ’s Nachts trok het volkje gezamenlijk naar een boerenwoning en roofde daar alles wat hun aanstond. Je zult misschien vragen waarom de boeren zich niet verzetten. In het begin deden zij dat ook wel, maar ze hielden het niet lang vol. Want als iemand de kaboutermannekens probeerde te verjagen,  dan sprongen ze met honderden tegelijk bovenop hem en klampten zich zo aan hem vast dat hij zich niet meer kon verroeren. Dan ranselden ze hem zo ongenadig af, dat hij veertien dagen later nog blauwe plakken had. Het merkwaardigste van al was dat nooit iemand van dat moedig volkje in de slag bleef. En als er als eens een gegrepen werd, dan ontglipte die altijd aan de hand die hem omvatte.

Zo plunderden zij in korte tijd heel de omtrek. De bewoners waren uiteindelijk zo bang voor hen dat zij niet eens hun beesten terug durfden te vragen als zij die rond de berg zagen grazen. In die streek woonde ook een kloeke jongeman die vijftien koeien op stal had. Maar de vermaledijde kaboutermanneken ontstalen ze hem allemaal. Hoewel hij de kwade aard van de mannekens maar al te goed kende, besloot hij toch zijn koeien terug te vragen. Misschien, dacht hij, hebben de dwergen medelijden met mij.
Hij ging dus op weg. Het begon al donker te worden toen hij bij de berg aankwam. Hoe nu binnen te geraken? Ik zal, dacht hij, in de buurt van de poort blijven en als zij terugkeren van hun strooptocht tussen het geroofde vee mee naar binnen proberen te sluipen.

Het was al wel één uur in de nacht toen er een koe kwam aanlopen. Een manneke opende de poort om het beest binnen te laten. Snel pakte de jongen de koe bij de staart en weldra stond hij midden tussen de kabouters. Nauwelijks had het volkje hem bemerkt, o heel de berg stond in rep en roer. Uit alle hoeken kwamen zij aangesneld, wierpen zich op hem en sloegen hem zo, dat hij in een ommezien bont en blauw was.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu