Karma en Reïncarnatie - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Wereldreligies > Hindoeïsme

Karma en Reïncarnatie.

 

Een kenmerk waardoor de religies die op het Indiase subcontinent begonnen zich te onderscheiden, is het geloof in karma, een idee dat voor het eerst rond de zevende eeuw v.Chr. opkwam. Karma betekent letterlijk ‘handelen’, maar na de Upanishads kwam het te staan voor het concept van de beloningen en straffend ie aan talrijke daden verbonden waren.

Het idee van de onsterfelijkheid van de ziel ligt aan de theorie van karma ten grondslag. Hoewel de vroege Veda’s een vaag idee over een leven na de dood bevatten, werd tegen de tijd van de Upanishads gesteld dat de menselijke ziel eeuwig voortbestaat en dat men na de dood een wedergeboorte of reïncarnatie (samsara) doormaakt. De ‘wet van het karma’ verwijst zo naar een systeem van oorzaak en gevolg dat meerdere levens kan bestrijken. Hij maakt dat mensen verdiensten (punya) of straffen (papa) vergaten bij iedere handeling die zij uitvoeren. Goede of slechte daden heffen elkaar niet op;  men moet in de loop van vele levens de vruchten van al zijn handelen proeven. De balans van punya en papa die men in een leven verwerft, bepaalt de aard en de kwaliteit van iemands volgende bestaan.

Bevrijding (moskha) uit dit patroon komt volgens de Upanishads op basis van het ervaren van ultieme wijsheid. Bij het verkrijgen van deze transformerende kennis, verwerft men een diep inzicht in de eigen onsterfelijkheid (amrta), waarna de ziel niet langer het vermogen tot wedergeboorte bezit. Het verband tussen wedergeboorte en karma – in centrale noties in de latere hindoeïstische traditie – worden zo in de Upanishads duidelijk verwoord, net als het ultieme streven van ieder mens om bevrijd te worden uit de eindeloze kringloop van geboorte en dood en het menselijk lijden dat hier door het ervaren van meerdere levens mee verbonden.

Sinds de tijd van de Upanishads hebben hindoes de ideeën van karma en amrta als vanzelfsprekend beschouwd. De verschillende hindoeïstische tradities verschillen echter over de vraag wat er met de ziel gebeurt wanneer die uiteindelijke bevrijd is uit de cyclus van leven en dood. Volgens sommige ervaart de ziel dan een vreugdevolle relatie van verering tot het opperste wezen. Andere scholen, zoals die van het Bengaalse vishnuïsme, beschouwen de ultieme bevrijding als een gepassioneerde toestand van afscheiding van de menselijke ziel van God. Deze traditie ziet God als Krishna en giet de ziel in de rol van het vrouwelijke koeienmeisje met wie de godheid optrekt.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu