Koning van Zevenbergen - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

De koning van Zevenbergen.

 

Lang, heel lang geleden was er eens een rijke jongend ie Bruno heette. Tot zijn twintigste jaar was hij naar school gegaan en ook daarna zat hij altijd maar te leren en in papieren te snuffelen. Van ’s morgen vroeg tot ’s avonds laat zat hij op zijn kamer te lezen in oude en dikke boeken, misschien wel toverboeken. Aan andere dingen had hij helemaal geen behoefte. Zijn vader, die maar één kind had, zag dat met tegenzin. Schier alle dagen zei hij tot Bruno: ‘Jongen, jongen, hoe is het toch mogelijk? Ge zult nog onnozel worden van al die boeken. Zie, ge zijt nu al zo mager als een lat. Vind liever een paar kameraden en verzet u door bier te drinken of met kaartspelen.’ ‘Och vader,’ zei Bruno, ‘ik heb geen verstand van kaarten en andere spelen, en als ik eens veel geld verloor, wat zoudt gij dan zeggen?’ ‘Wel, ik zou er niet veel om geven, jongen,’ antwoordde zijn vader, ‘we zijn immers rijk genoeg.’

Uiteindelijk liet de zoon zich overhalen. Hij raakte bevriend met jonge gasten van zijn stand, allemaal liefhebbers van pint en spel, zodat hij weldra ook zelf de smaak van het drinken en spelen te pakken kreeg. Maar door zijn slechte spel verloor hij menige duit en vader, die hem, om zo te zeggen, naar de herberg gejaagd had, durfde hem nu geen schijven te weigeren, zodat Bruno in korte tijd een diepe put in zijn fortuin had gemaakt. ‘De kans moet toch eens keren,’ dacht Bruno, en zo zette hij op zekere avond zijn laatste honderdduizend frank op het spel. Maar hij scheen voor het ongeluk geboren te zijn, want het zat hem opnieuw tegen. En toen was hij alles kwijt! Hals zinneloos van spijt en niet wetende wat te doen, liep hij dubbend langs een afgelegen baan naar huis. ‘Waarom ziet ge er zo droef uit, jongen,’ vroeg een passerende vreemdeling, ‘wat heeft men u in de weg gelegd?’ ‘Ik weet niet, mijnheer, of ik u mijn toestand wel moet vertellen,’ antwoordde Bruno, ‘ge kunt mij immer toch niet helpen.’ ‘Ge zult zien dat ik u helpen kan,’ hernam de heer, ‘mits ge mij vertelt wat u gebeurd is!’ Waarop Bruno vertelde wat hem overkomen was. ‘Is dat alles? Daar heb ik wel wat voor,’ zei de heer lachend. ‘Ziet gij dit kaartspel? Daarmee zult gij altijd winnen, om het even met wie en voor hoeveel ge speelt.’

Daarop haalde hij een boek en een pen uit zijn zak: ‘Jonge heer, hier moet gij uw naam zetten en precies over een jaar en een dag moet ge mij de kaarten terugbrengen. Ik en de koning van Zevenbergen, ge zult mij dus gemakkelijk kunnen vinden. Maar vergeet niet precies op de gestelde dag tot mij te komen!’  Bruno beloofde het, dankte en keerde terug naar zijn kameraden. Op listige wijze wist hij hen te bepraten en ze begonnen opnieuw te spelen, en zie: in weinige keren had Bruno hun allerlaatste cent gewonnen. Welgezind trok hij naar huis en liet de schijven rammelen dat het een lust was. Hoe aangenaam dit in vaders oren klonk, kunt ge wel denken!

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu