Onderwijs - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Wereldreligies > Boeddishme

Onderwijs.

 

Het meeste bewijsmateriaal voor de vroege geschiedenis van de boeddhistische gemeenschap, de sangha, komt van teksten die vijf eeuwen of nog langer na de dood van Boeddha geschreven zijn. Het is daarom moeilijk om met zekerheid vast te stellen hoe de sangha van een kleine groep volgelingen rond een charismatische leider uitgroeide tot een van de belangrijkste bewegingen in India en daarbuiten. De boeddhistische traditie vermeld echter meerdere stadia van haar institutionele ontwikkeling die het mogelijk maakten dat de religie zo’n belangrijke rol in de ontwikkeling van de Aziatische cultuur kon spelen.

Korte tijd nadat Boeddha in 486 v.Chr. was overleden, zou naar verluidt een ‘eerste boeddhistische concilie’ zijn gehouden inde stad Rajagrha. Volgens een van de verhalen van Kashyapa, een volgeling van de Boeddha, met een groep  monniken op reis toen hij hoorde dat zijn meester was gestorven. Een van de monniken was zichtbaar opgelucht en zei dat de dood van de Boeddha hen bevrijdde van de beperkingen van de monastieke regels. Uit vrees dat de discipline zou instorten, stelde Kashyapa voor om een concilie bijeen te roepen om de leer van Boeddha en de monastieke regels opnieuw te formuleren en een algemeen corpus aan doctrines en praktijken op te stellen om de boeddhistische gemeenschap te leiden. Het concilie bracht de latere kern van de boeddhistische canon voort.

Een andere traditie vertelt van een twee concilie, ongeveer een eeuw later samengeroepen inde stad Vaishali, om de verschillende variatiesop de monastieke code die ontstaan waren onder druk van de regionale expansie van de gemeenschap, te bespreken. De verschillende kwesties werden echter niet volledig opgelost en vormden de aanleiding tot het eerste grote schisma binnen het boeddhisme, namelijk tussen de Sthavira’s  (‘Ouderen’) en Mahasanghika’s  (‘Grote gemeenschap’). Dit was het begin van de  fragmentatie van de sangha in Achttien Scholen (nikaya’s), wat voorafging aan de uiteindelijke splitsing tussen het Hinayana- (‘Kleine voertuig’)-boeddhisme en Mahayana (‘Grote Voertuig’)-boeddhisme.

Zowel binnen als buiten India speelde koninklijke patronage een belangrijke rol bij de expansie van de gemeenschap. De grote Maurya-keizer Asjoka, die vanuit zijn hoofdstad bij Paraliputra Noord-India bestuurde, bekeerde zich expliciet en in het openbaar tot het boeddhisme. Als onderdeel van zijn politiek van ’gerechtvaardigde verovering’ (dharmavijaya) verkondigde hij de boeddhistische waarden in zijn hele rijk en steunde hij de verspreiding van de religie buiten de grenzen ervan.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu