Witte wieven - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

De witte wieven van Tubbergen.

 

Bij Tubbergen zijn veel witte wieven. Het is een kwaadaardigs soort, met scherpe nagels, en ze houden van de jacht zoals de witte wieven van Lochem hun dat hebben geleerd. Ze lopen nooit hard, maar hun passen zijn groot, glijdend en gelijkmatig: zelfs de snelste boerenjongen kan ze op den duur niet bijhouden. Bovendien trekken zij altijd in dichte drommen en, net als koeien die een hond omsingelen, vormen zij een steeds nauwer wordende kring, tot de mens zich niet meer weet te verweren. Geen gevaarlijker witte wieven dan die uit Tubbergen! Ze weten, wanneer ze een mensenziel kunnen vangen.

Eens voelde een vrouw uit Tubbergen, die water stond te putten, plotseling een kille hand op haar schouder. Ze draaide zich om en zag tot haar schrik dat er wel twintig witte wieven om haar heen stonden, als nevels, dreigend van vorm en gebaar. Ze kwamen dichter en dichterbij, zodat de vrouw nergens meer heen kon. Alles was donker, behalve de witte wieven. Angstig riep ze haar man, maar deze hoorde haard niet. Het witte wief dat haar de hand op de schouder had gelegd, sprak lachen: ‘Waarom ben je zo bang; kom et ons op de bergen dansen.’ ‘Ik wil niet meegaan. Jullie zijn slecht, dat weet iedereen.’ ‘Als je bij ons bent, verlang je nooit meer naar de wereld terug.’ ‘En mijn kind dan? O, witte wieven, laat mij gaan!’

Alle witte wieven in de kring zwegen. Genade of medelijden kenden ze niet. En of ze wilde of niet, de vrouw moest met hen mee.

’s Avonds miste men haar op de boerderij. Er werd  overal gezocht, maar ze was spoorloos verdwenen. Een paar stoere knapen daalden in de put af; ze kwamen boven en haalden de schouders op.

Het was een groot verdriet voor de voer dat hij zijn vrouw had verloren. Er was niemand die hem kon troosten. ’s Avonds kwamen zijn buren op bezoek, het lampje brandde, en zij tuurden met hem in het licht. Iedere avond weer namen zij op een stijve manier afscheid en vonden maar moeilijk de zinnen die bij een afscheid gezegd worden. Dan blies de boer het licht uit en kroop in zijn bedstee. ’s Ochtends vroeg ging hij weer aan de arbeid, want hij had te zorgen dat zijn kind goed door het leven kwam. De buurvrouwen zorgden voor het kind, wasten het en kleedden het. Het verbaasde de voer niet dat het steeds net zo goed voor de dag kwam als toen de moeder het hielp. Nooit vroeg hij wie zijn zoon verzorgde. Hij zou hetzelfde voor zijn buren hebben gedaan, en ’s avonds, in de stilte, werd er ook niet over gesproken.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu