Zeemeermin van Westerschouwen - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

De zeemeermin van Westerschouwen.

 

Lang geleden was Westerschouwen in Zeeland een grote vissershaven. Trotse schepen voeren af en aan over de zee; iedere keer als ze in de haven terugkeerden, brachten ze rijke lading mee en de vissers werden door hun welvaart overmoedig, wreed en spotziek. Zij dachten dat geen haven zo goed was als die van hen en ze voelden zich trotse heersers, die met harde voetstappen over de aarde schrijden. ‘Wie is er gelijk aan de vissers van Westerschouwen?’
Een waren ze weer tot ver op de zee uitgevaren en ze lieten de netten zinken. Het duurde niet lang, of ze haalden een van de netten op en vonden een mooie zeemeermin, die smeekte dan men haar weer zou laten gaan. De hoogmoedige schippers lachten alleen maar, en ze begonnen aan de thuisvaart om deze mooie vangst te laten zien. Nooit hadden de vissers zo’n wonderlijke buit meegevoerde, en hun hoogmoed deed hen als dronkaards lachen om de smart van de blanke vrouw die in het net kronkelde.  ‘Laat me gaan,’ riep ze wanhopig, ‘vissers van Westerschouwen, en je zult gezegend zijn!’ En uit de zee weerklonk en andere stem die, zwaarder van toon, klonk als de echo van haar schaamte en haar leed. Men keek overboord, en weer lachte men, als sterke mannen die in een wrede gril de zwakken mishandelen.

‘Dat is de zeemeerman,’ riepen ze elkaar toe, ‘kijk, hij zwemt met zijn kind in de armen.’ Groen waren de haren van de zeemeerman, en als golven opgeslagen door de westenwind vloeiden ze groen over zijn schuimwitte rug. Zijn gezicht was bruin van kleur, als een stuk hout dat lang in zee heeft gedreven, en zijn baard warrelde er in groene striemen omheen. Het kindje dat hij in zijn armen droeg, had een lichte huid, en het spartelde al aardig mee. De vrouw strekte de armen naar de man en het kind uit. De man schreide: ‘Geef me haar terug, want we waren gelukkig, boze vissers. Wat moet zij bij jullie doen? Ze zal bij jullie zeker sterven. Zij kan niet bij de mensen wonen. Wees niet zo wreed voor mij.’ De vissers gaven geen antwoord en zeilden de haven tegemoet. De zeemeerman zwom mee, vroeg niets meer en kwam alleen regelmatig boven om naar het wijfje te kijken dat bijna stervende was, en dat probeerde haar man en kind te onderscheiden van het zeeschuim en de golven.

De vissers sprongen juichend aan wal. Een van hen tilde het net waarin het zeemeerwijfje gevangen was genomen, en liet het zien aan de dwaasgierende  vrouwen en de verwonderde kinderen.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu