Ziel in zee - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

Een ziel in zee.

 

Aan de kust woonde eens een visser, Andries, wie alles tegen liep, hoewel  bij een eerlijke, flinke kerel was. In een jaar tijds had hij vrouw en kind verloren, zodat hij alleen op de wereld stond. Aan de vooravond van het feest van St.-Andries, zijn patroon, verliet hij vol sombere gedachten tegen de schemering zijn hut, liep de duinen in en keek naar de kalme zee. Plotseling zag hij een lichtje uit het water opstijgen, heen en weer zweven en daarna een bouwval in de duinen naderden, dicht bij de plaats waar hij stond. Daarop vloog het bliksemsnel terug naar zee, waar het een eind van de kust tussen de banken helder oplichtte, om weer naar het strand terug te keren en bij de ruïne te verdwijnen. Andries begreep wel dat dit een teken was, maar hij durfde niet dichterbij te komen. Toen klonk opeens een stem: ‘Andries!’

De visser keek om zich een en zag bij de bouwval een man in ouderwetse dracht zitten, die zijn bleek gezicht naar hem toewendde. Met van angst overslaande stem vroeg Andries wat bij wilde. ‘Visser,’ antwoordde de man, ‘ik heb medelijden met je, en als je durft te doen wat ik je zeg, zal ik je rijk en gelukkig maken.’ ‘Ik verlang niets van je,’ zei de visser en sloeg een kruis. ‘Ik wil natuurlijk graag rijk zijn, maar je hoeft me niets te geven.’ ‘Sla maar gerust een kruis, ik ben geen boze geest, je kunt mij vertrouwen. Neem deze ring en ga over drie dagen, om middernacht, een buksschot ver in zee. Daar zal je drie omgekeerde potten vinden. Til de middelste op en haast je terug naar het strand zonder je te bekommeren om wat je te zien en te horen krijgt. Als je dat doet, zul je rijkelijk worden beloond.’

Na die woorden verdween de gestalte, een dwaallicht schoot naar zee en zonk in het water. De ring lag aan de voeten van de visser, maar bij durfde hem niet bij zich te steken. En de derde nacht na St.-Andriesavond verliet hij zijn hut niet en als spoedig vergat hij de vreemde ontmoeting. Hij had wel andere dingen om aan te denken; ongeluk na ongeluk trof hem. Alles wat hij ondernam liep slecht af. Zijn netten scheurden, zijn boot liep zware averij op en hij werd zo ziek dat hij maandenlang in het gasthuis verpleegd moest worden. Toen hij daar uitkwam, was hij weer straatarm.

Het was weer St.-Andriesavond toen de visser, na een eenzame tocht door de duinen, opnieuw bij de bouwval stond. Ditmaal was de zee niet kalm; het was springvloed en de toppen van de golven kwamen bijna zo hoog als de duinen.

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu