Zwanenridder - Paraned

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Mythen en sages > Nederland & België

De zwanenridder.

Eens, toen de reuzen, die in de grote bossen tussen Nijmegen en Frankrijk woonden, bezig waren de Maas te graven, een uurtje van Oostrum af, was een jonge reuzin hen achteropgekomen. Toen was het gerammel in de ruiten. Zo gaat dat namelijk altijd als er vrouwvolk bij te pas komt.

Eerst had ze een tijdje in de zon liggen dromen, want het was brandend heet. Maar toen was ze zich gaan vervelen en ging e op kattenkwaad uit. Ze keek naar de lucht en zei tegen een reus die vlak bij haar druk aan het graven was: ‘Kijk, daar vliegt een ekster!’

Twaalf jaar later keek de reus van zijn werk op, gestoord door het gepraat van de jonge reuzin, en zei: ‘O, ben jij dat? Je bent zelf een ekster, da’s een kraai!’ Ze stak haar tong naar hem uit, haar hele lange tong, en ze tuitte haar lippen om hem te plagen en hem aan te sproken, zodat hij haar zou komen grijpen. ‘Een kraai… een kraai…! Een haan kraait, maar dat kun ij niet!’

'Weer twaalf jaar later zei de reus: ‘Al dat gesnebbel van het vrouwvolk! Zo kan een reus toch niet werken. Wacht, jij heks, ik zal je wel krijgen!’ En zij ging ervandoor! Met grote sprongen! Hij smeet haar een handvol zand achterna, en overal waar dat neerviel, ontstond een heuvel. Hij smeet de ene handvol na de andere, want de reus was beestachtig sterk, dat spreekt vanzelf. En hij bleef maar achter haar aanzitten, want toen hij eenmaal begonnen was, kon hij het ook niet meer laten. Zo gaat dat.

Maar zij had geen zand, en toch wilde ze met iets terugsmijten, zo zijn vrouwen nu eenmaal. Daarom bukte zij zich af en toe om een grote kluit uit de grond te pakken. Kijk, zo zijn dus die gevaarlijke kuilen en plassen ontstaan in de Oostrumse vennen. Daar huizen ook de watermannen, die kinderen grijpen en meenemen naar de diepte. Je kan nooit zeker weten hoe diep die kuilen zijn; de reuzin greep zomaar, zo zijn vrouwen nu eenmaal, die kunnen nooit maat houden, het is altijd hollen of stilstaan. De reus had genoeg zand aan zijn klompen hangen en als hij even met zijn schop over zijn klomp streek, dan had hij alweer een berg. Zo zijn die Oostrumse zandbergen, die kleffen aan de Meelderseweg, ontstaan, met al dat grind van de Maas erin. Aan de ene kant de venkuilen en aan de andere kant de zandkleffen, allemaal bedorven grond waar nooit meer wat groeien kan behalve hei, smelen en wachelenholt. En dat is allemaal de schuld van die reuzen. Maar gelukkig werden die reuzen later verdreven.

 

<<< Vorige ... Volgende >>>

 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu